Verlichting is iemands uittrede uit zijn zelf-opgelegde onvolwassenheid. Onvolwassenheid is de onmogelijkheid je eigen denkwijze te gebruiken zonder de begeleiding door iemand anders. Die onvolwassenheid is zelfopgelegd wanneer de oorzaak niet in de het onbegrip ligt, maar in een tekort van oplossingsgerichtheid en moed om het te gebruiken zonder de hulp van een ander. “Sapere Aude” – Durf te denken. Dat is het motto van verlichting.

Luiheid en lafheid zijn de redenen waarom zoveel mannen, lang nadat de natuur hen verlost heeft van vreemde/alien begeleiding, en toch lang in hun levenslange onvolwassenheid blijven, en waarom het zo makkelijk is dat anderen zichzelf als hun ‘guardians’ aanstellen. Het is zo makkelijk om onvolwassen te zijn. Als ik een boek had die mij begeleid in mijn begrip, een priester die mij begeleid in mijn geweten, een dokter die mijn dieet voorschrijft, en zo verder, dan hoef ik mijzelf helemaal niet te gebruiken.

Dan hoef ik niet te denken, als ik maar kan betalen: anderen zullen klaarstaan om het vervelende werk voor mij op te lossen. Die ‘guardians’ die zo goedbedoeld de controle over mensen hebben genomen, (inclusief vrouwen) zien de stap naar volwassenheid als heel gevaarlijk, om niet te zeggen moeilijk. Door eerst hun ‘vee’ dom te maken, en dan ervoor te zorgen dat deze bestuurbare wezens geen enkele stap zouden zetten zonder de goedkeuring van de entourage waarin ze zitten vastgestript, tonen de ‘guardians’ hen dan het gevaar dat naar hen loert wanneer ze proberen alléén te wandelen. Nu is dat gevaar niet zo groot, want na een paar keer vallen zouden ze uiteindelijk zeker leren te wandelen; maar een voorbeeld hiervan maakt mensen verlegen en hun angst voorkomt meestal iedere verdere poging.

Zodoende is het moeilijk voor een individuele man om zichzelf uit die onvolwassenheid te werken wanneer het al een deel van zijn natuur is geworden. Hij is zelfs al zo geconditioneerd en voelt zich zo goed in zijn ‘staat-van-zijn’ en kan daardoor zijn eigen conclusies niet meer trekken, aangezien niemand het hem ooit toegelaten heeft. Regels en formules, die mechanische hulpen naar rationeel gebruik, of eerder misbruik van zijn natuurlijke gaven, zijn de kettingen van een permanente onvolwassenheid. Wie die ketens van zich afgooit, zou nog steeds slechts een onzekere sprong over de kleinste sloot wagen, aangezien hij nog onaangepast is aan deze manier van ‘vrij bewegen’. Bijgevolg slaagden slechts enkelen erin zich te bevrijden van onvolwassenheid , door hun eigen geest te cultiveren, en een veilige koers te na te streven.

Maar dat het publiek zichzelf zou moeten verlichten sluit dichter aan bij de waarheid, inderdaad, als het in vrijheid kan leven, is verlichting praktisch onvermijdbaar. Zelfs voor de onder hen vastgeroeste, ommuurde beschermers van de grote massa, zullen er enkelen voor zichzelf denken, enkelen die, nadat ze zichzelf van het juk van onvolwassenheid hebben bevrijd, zullen de geest van een rationele appreciatie van zowel hun eigen waarde en zowel iedere persoon oproepen voor zichzelf te denken. Maar het zou vooral opgemerkt moeten worden dat als een mensengroep – die eerst onder het juk van een dergelijke ´beschermer´ is geplaatst, wordt net aangemoedigd door hen die op zichzelf niet de mogelijkheid hebben verlicht te worden, het kan de ´beschermers´zelf drijven onder het juk – zo vreselijk is het om vooroordelen te laten doorsijpelen, waardoor ze uiteindelijk wraak nemen op hun oorspronkelijken of nakomelingen. Vandaar dat een samenleving slechts traag de verlichting kan bereiken. Misschien kan een revolutie het autocratisch despotisme en het onethisch profiteren van machtsgeile oppressie doorbreken, maar het nooit volledig een manier van denken aanpassen, in de plaats daarvan worden nieuwe vooroordelen, net zoals de oude die ze vervangen, geinstalleerd, en zullen  als een leiband dienen voor de grote niet-denkende massa.

Er is niets nodig voor verlichting, hoewel, enkel vrijheid; en de vrijheid zelf is het minst schadelijk van allemaal, namelijk, de vrijheid om je rede publiekelijk te gebruiken bij alle situaties. Maar langs alle kanten. Ik hoor “Niet discussiëren!”. De officier zegt, “Niet denken, train!” De belastingscollector zegt: “Niet discussiëren, betaal!” De priester zegt: “Niet discussiëren, geloof!” (Slechts één leider in de Wereld zegt: “discussieer zo veel als je wil over wat je wil, maar gehoorzaam!”) Hier hebben wij voorbeelden van overtuigende remmen op vrijheid. Maar welke rem verhindert verlichting en welke niet, maar in de plaats het zelf op gang brengt? Ik antwoord: het publiek gebruik van iemands rede moet altijd vrij zijn, en dat alleen kan verlichting brengen bij de mensheid; het privé gebruik van rede kan echter, heel smal en beperkend zijn, zonder het proces van verlichting te verhinderen. Als ik zeg ‘publiekelijk gebruik van iemands eigen rede’, bedoel ik het gebruik dat een student maakt van de rede voor de ganse gealfabetiseerde wereld.

Bij het publiekelijk gebruik van iemands rede begrijp ik het gebruik dat iemand als een geleerde voor de gehele gealfbetiseerde wereld maakt. Ik noem het private gebruik van rede dat wat een persoon kan maken in een burgerlijke post of kantoor dat hem is toegewijd. Nu in vele zaken die uitgevoerd worden voor het belang van de gemeenschap een mechanisme nodig is waarin sommige leden zichzelf moeten gedragen in een totaal passieve rol zodat ze door een artificiële anonimiteit de regering hen tot een publiekelijk einde kan leiden, of op zijn minst hen beschermen voor dergelijke eindes. Hier kan men zeker niet bediscussiëren, maar moet men gehoorzamen. Hoewel; inhoeverre als dit stuk van de machine zichzelf ookziet als een onderdeel van de gemeenschap als een geheel; of zelfs van de wereldgemeenschap, en als een gevolg het publiek benadert in de rol van een geleerde, in de eigenlijke betekenis van die term, dan kan hij zich vooral in vraag stellen, zonder daarbij de zaken waarbij hij als een passief lid deels voor verantwoordelijk is. Daardor zou het vernietigend zijn als een agent onder de werkuren een vraag van zijn overste in vraag zou stellen naar de toepaspaarheid of nut van het commando. Hij moet gehoorzamen. Maar als een geleerde kan hij zich niet rechtvaardig onthouden van  het opmerkingen maken over fouten in het militaire systeem, of over het voor het publiek plaatsen voor beoordeling. De burger kan niet weigeren taksen te betalen die hem opgelegd werden, meer zelfs, hij zou er voor gestraft worden met schandaal (en mogelijke subordinatie).

e must obey. But as a scholar he cannot be justly constrained from making comments about errors in military service, or from placing them before the public for its judgment. The citizen cannot refuse to pay the taxes imposed on him; indeed, impertinent criticism of such levies, when they should be paid by him, can be punished as a scandal (since it can lead to widespread insubordination). But the same person does not act contrary to civic duty when, as a scholar, he publicly expresses his thoughts regarding the impropriety or even injustice of such taxes. Likewise a pastor is bound to instruct his catecumens and congregation in accordance with the symbol of the church he serves, for he was appointed on that condition. But as a scholar he has complete freedom, indeed even the calling, to impart to the public all of his carefully considered and well-intentioned thoughts concerning mistaken aspects of that symbol, as well as his suggestions for the better arrangement of religious and church matters. Nothing in this can weigh on his conscience. What he teaches in consequence of his office as a servant of the church he sets out as something with regard to which he has no discretion to teach in accord with his own lights; rather, he offers it under the direction and in the name of another. He will say, “Our church teaches this or that and these are the demonstrations it uses.” He thereby extracts for his congregation all practical uses from precepts to which he would not himself subscribe with complete conviction, but whose presentation he can nonetheless undertake, since it is not entirely impossible that truth lies hidden in them, and, in any case, nothing contrary to the very nature of religion is to be found in them. If he believed he could find anything of the latter sort in them, he could not in good conscience serve in his position; he would have to resign. Thus an appointed teacher’s use of his reason for the sake of his congregation is merely private, because, however large the congregation is, this use is always only domestic; in this regard, as a priest, he is not free and cannot be such because he is acting under instructions from someone else. By contrast, the cleric–as a scholar who speaks through his writings to the public as such, i.e., the world–enjoys in this public use of reason an unrestricted freedom to use his own rational capacities and to speak his own mind. For that the (spiritual) guardians of a people should themselves be immature is an absurdity that would insure the perpetuation of absurdities.

But would a society of pastors, perhaps a church assembly or venerable presbytery (as those among the Dutch call themselves), not be justified in binding itself by oath to a certain unalterable symbol in order to secure a constant guardianship over each of its members and through them over the people, and this for all time: I say that this is wholly impossible. Such a contract, whose intention is to preclude forever all further enlightenment of the human race, is absolutely null and void, even if it should be ratified by the supreme power, by parliaments, and by the most solemn peace treaties. One age cannot bind itself, and thus conspire, to place a succeeding one in a condition whereby it would be impossible for the later age to expand its knowledge (particularly where it is so very important), to rid itself of errors,and generally to increase its enlightenment. That would be a crime against human nature, whose essential destiny lies precisely in such progress; subsequent generations are thus completely justified in dismissing such agreements as unauthorized and criminal. The criterion of everything that can be agreed upon as a law by a people lies in this question: Can a people impose such a law on itself? Now it might be possible, in anticipation of a better state of affairs, to introduce a provisional order for a specific, short time, all the while giving all citizens, especially clergy, in their role as scholars, the freedom to comment publicly, i.e., in writing, on the present institution’s shortcomings. The provisional order might last until insight into the nature of these matters had become so widespread and obvious that the combined (if not unanimous) voices of the populace could propose to the crown that it take under its protection those congregations that, in accord with their newly gained insight, had organized themselves under altered religious institutions, but without interfering with those wishing to allow matters to remain as before. However, it is absolutely forbidden that they unite into a religious organization that nobody may for the duration of a man’s lifetime publicly question, for so do-ing would deny, render fruitless, and make detrimental to succeeding generations an era in man’s progress toward improvement. A man may put off enlightenment with regard to what he ought to know, though only for a short time and for his own person; but to renounce it for himself, or, even more, for subsequent generations, is to violate and trample man’s divine rights underfoot. And what a people may not decree for itself may still less be imposed on it by a monarch, for his lawgiving authority rests on his unification of the people’s collective will in his own. If he only sees to it that all genuine or purported improvement is consonant with civil order, he can allow his subjects to do what they find necessary to their spiritual well-being, which is not his affair. However, he must prevent anyone from forcibly interfering with another’s working as best he can to determine and promote his well-being. It detracts from his own majesty when he interferes in these matters, since the writings in which his subjects attempt to clarify their insights lend value to his conception of governance. This holds whether he acts from his own highest insight–whereby he calls upon himself the reproach, “Caesar non eat supra grammaticos.”‘–as well as, indeed even more, when he despoils his highest authority by supporting the spiritual despotism of some tyrants in his state over his other subjects.

If it is now asked, “Do we presently live in an enlightened age?” the answer is, “No, but we do live in an age of enlightenment.” As matters now stand, a great deal is still lacking in order for men as a whole to be, or even to put themselves into a position to be able without external guidance to apply understanding confidently to religious issues. But we do have clear indications that the way is now being opened for men to proceed freely in this direction and that the obstacles to general enlightenment–to their release from their self-imposed immaturity–are gradually diminishing. In this regard, this age is the age of enlightenment, the century of Frederick.

A prince who does not find it beneath him to say that he takes it to be his duty to prescribe nothing, but rather to allow men complete freedom in religious matters–who thereby renounces the arrogant title of tolerance–is himself enlightened and deserves to be praised by a grateful present and by posterity as the first, at least where the government is concerned, to release the human race from immaturity and to leave everyone free to use his own reason in all matters of conscience. Under his rule, venerable pastors, in their role as scholars and without prejudice to their official duties, may freely and openly set out for the world’s scrutiny their judgments and views, even where these occasionally differ from the accepted symbol. Still greater freedom is afforded to those who are not restricted by an official post. This spirit of freedom is expanding even where it must struggle against the external obstacles of governments that misunderstand their own function. Such governments are illuminated by the example that the existence of freedom need not give cause for the least concern regarding public order and harmony in the commonwealth. If only they refrain from inventing artifices to keep themselves in it, men will gradually raise themselves from barbarism.

I have focused on religious matters in setting out my main point concerning enlightenment, i.e., man’s emergence from self-imposed immaturity, first because our rulers have no interest in assuming the role of their subjects’ guardians with respect to the arts and sciences, and secondly because that form of immaturity is both the most pernicious and disgraceful of all. But the manner of thinking of a head of state who favors religious enlightenment goes even further, for he realizes that there is no danger to his legislation in allowing his subjects to use reason publicly and to set before the world their thoughts concerning better formulations of his laws, even if this involves frank criticism of legislation currently in effect. We have before us a shining example, with respect to which no monarch surpasses the one whom we honor.

But only a ruler who is himself enlightened and has no dread of shadows, yet who likewise has a well-disciplined, numerous army to guarantee public peace, can say what no republic may dare, namely: “Argue as much as you want and about what you want, but obey!” Here as elsewhere, when things are considered in broad perspective, a strange, unexpected pattern in human affairs reveals itself, one in which almost everything is paradoxical. A greater degree of civil freedom seems advantageous to a people’s spiritual freedom; yet the former established impassable boundaries for the latter; conversely, a lesser degree of civil freedom provides enough room for all fully to expand their abilities. Thus, once nature has removed the hard shell from this kernel for which she has most fondly cared, namely, the inclination to and vocation for free thinking, the kernel gradually reacts on a people’s mentality (whereby they become increasingly able to act freely), and it finally even influences the principles of government, which finds that it can profit by treating men, who are now more than machines, in accord with their dignity.

I. Kant
Konigsberg in Prussia, 30 September 1784

Too early for paradise
Tijd drijft voorbij een boot vaart en keert
weer vol van mensen zij dragen water
op handen regen zegent wie goden eert
zij eten rijst met vele armen apen
schuiven aan en graaien mee wat blinkt
de straten vol klank en kleur een kind
draagt een kleiner kind torenhoog een fiets
een man kapt wasgoed klapt stenen stof
dat waait en dan weer liggen gaat daar
waar uit het vuil een koe opstaat
en onverstoord weer liggen gaat
zo draait dit land in oude cirkels jaar
na jaar na jaar baant iemand zich de weg
die lang is vastgelegd: bid en zeg
ohm

(Frauke Pauwels )

LINK| Labo De Lux

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.